NSB

Nationaal Socialist

Propaganda

WA - SS

Jeugdstorm

WHN - NVD

Arbeidsdienst

Dwangarbeid

Dagelijks leven

Distributie

Joden

Luchtbeschermingsdienst

Persoonsbewijs

Nederland paraat

Oranje/verzet

Nationalisme/fascisme

Persoons- legitimatiebewijs
 
Vanaf 1 oktober 1940 werd de identificatieplicht ingesteld. Omdat de voorbereidingen van het persoonsbewijs enige maanden in beslag nam, werd een tijdelijke legitimatiekaart verstrekt. Ook de distributiestamkaart, voorzien van een pasfoto, kon dienen als voorlopig persoonsbewijs. Op 2 november 1940 hadden alle Nederlanders van 15 jaar en ouder een legitimatiebewijs gekregen, dit werd gevolgd door het persoonsbewijs op 1 mei 1941. Iedere Nederlander, ouder dan veertien jaar (en dat waren er ruim zeven miljoen) moest voortaan een identiteitsbewijs bij zich dragen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Al in het begin van de dertiger jaren zijn stemmen opgegaan tot invoering van identiteitskaarten (persoonsbewijzen). Voornamelijk achtte men deze invoering nodig met het oog op de eventuele invoering van distributiekaarten bij het uitbreken van een nieuwe oorlog. Slechts door middel van het perssoonsbewijs zou op afdoende wijze de identiteit van de distributiegerechtigde kunnen worden vastgesteld. In 1938 werd het vraagstuk officieel in studie genomen. In oktober 1938 werd door de Minister van Buitenlandse Zaken een interdepartementale commissie ingesteld, aan welke het onderzoek ter zake opgedragen werd. Het rapport van deze commissie, op 31 maart 1939 uitgebracht, werd in datzelfde voorjaar in de Raad van Ministers behandeld. Besloten werd, het rapport voorlopig aan te houden; de reden was, dat de Minister van Economische Zaken het in verband met de dreigende internationale toestand wenselijk achtte, dat zo spoedig mogelijk distributiestamkaarten in gereedheid gebracht werden en vertraging vreesde, als dit gepaard ging met de tijdrovende arbeid, verbonden aan de invoering van de persoonsbewijzen. Op aandrang van de Voorzitter van de Commissie Burgerbevolking (31 oktober 1939) met het oog op de mogelijkheid van eventuele evacuaties, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de verplichte invoering van het persoonsbewijs andermaal in de Raad van Ministers ter tafel gebracht. Op 4 maart 1940 besloot de Ministerraad niet tot imperatieve invoering van een persoonsbewijs over te gaan; bij de Raad bestond echter geen bezwaar tegen een partiële invoeren van deze kaarten, voorzover het betreffende departement hoofd deze noodzakelijk achtte. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door Binnenlandse Zaken, P.T.T., Waterstaat, Spoorwegen, Luchtvaartdienst, Defensie en de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht (voor bepaalde diensten). De Duitse autoriteiten waren volkomen op de hoogte met de voorgeschiedenis van het persoonsbewijs hier te lande en nog geen maand na de bezetting bleek reeds hun belangstelling in de invoering. Bij brief van 14 juni 1940 heeft de Secretaris Generaal van het Departement van Justitie, mr. Tenkink aan mr. Dr. K.J. Frederiks van Binnenlandse Zaken medegedeeld dat "de Duitse politieautoriteiten namens de Duitse overheid de wens te kennen hebben gegeven, dat zo spoedig mogelijk wordt overgegaan tot invoering van de identiteitskaart hier te lande". Naar het oordeel van mr. Tenkink zou het door de Commissie van oktober 1939 uitgebrachte rapport een goede basis kunnen vormen voor de invoering van bedoelde maatregel. Over het ontwerp van de betreffende regeling is toen nader overleg gepleegd met het Departement van Justitie, dat niet alleen volkomen akkoord ging, maar bovendien nog deze gelegenheid wilde benutten, om dactyuloscopische slips (dactyloscopisch signalement) in te voeren. Zo is dan tot stand gekomen de verordening no. 197 van 17 oktober 1940.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Werkinstructie voor de ambtenaar
 
Persoonsbewijzen, J.L. Lentz
 
J.L. Lentz was een overijverige ambtenaar, hoofd van de Rijksinspectie der Bevolkingsregisters, die een bijna niet te vervalsen legitimatiebewijs ontwierp; het Persoonsbewijs. In 1941 waren er al meer dan zeven miljoen uitgereikt.
 
In het boek 'Persoonsbewijzen', door J.L. Lentz, staat alles wat de ambtenaar belast met de uiteiking van persoonsbewijzen moest weten, 403 bladzijden dik.
 
 
Informatiefolder, Rotterdam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De pasfoto's, nodig voor de persoonsbewijzen, moesten aan stenge eisen voldoen. Fotografen beleefden hoogtij dagen.
 
 
 
 
 
Het legitimatie- identiteitsbewijs moest natuurlijk netjes opgeborgen kunnen worden met zo weinig kans op beschadiging.
 
Een stevig, kartonnen, mapje bracht uitkomst. Hier kon het bewijs los in worden gelegd.
 
Op het mapje links afgebeeld, heel toepasselijk, reclame voor café Germania.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Het persoonsbewijs werd gedrukt bij de Algemene Landsdrukkerij, de firma Joh. Enschedé in Haarlem. Er werd gebruik gemaakt van een bijzondere paarse drukinkt en een speciaal soort karton. Voorts was de in drie delen te vouwen kaart voorzien van drie dezelfde watermerken met de beeltenis van de Nederlandse leeuw. De ondergrond bestond uit een rasterpatroon met in minuscule letters de woorden 'Bevolkingsregisters van Nederland'. Op twee plaatsen in het PB moesten vingerafdrukken van de rechterwijsvinger worden geplaatst. Een vingerafdruk werd geplaatst aan de achterzijde van de pasfoto, dat in een uitgesneden 'venster' was geplaatst. De vingerafdruk bleef waarneembaar doordat het speciale zegel dat er over heen werd geplakt doorzichtig was. De zegel werd opgeplakt met een speciale lijmsoort die het onbeschadigd verwijderen van de pasfoto en de zegel vrijwel onmogelijk maakte. Het stempel van de gemeente van uitreiking werd zowel over de foto als over het zegel aangebracht.
 
 
 
 
 
Inlegblad "verplichtingen"
 
 
 
 
 
Hiernaast:
Persoonsbewijs voor een vreemdeling, in dit geval een 'Rijksduitser'. Dit persoonsbewijs onderscheidt zich van het model I door enige over de volle breedte aangebrachte rode strepen.
 
"Allen die de staat van Nederlander niet bezitten of niet uit andere hoofde Nederlandse onderdanen zijn, zijn 'vreemdelingen'. Onder vreemdelingen zijn ook de 'staatlozen' te rangschikken".
 
Uit: Persoonsbewijzen, door J.L. Lentz.
 
 
Houten etui PB
 
In november 1943 introduceerde de Rijksinspectie voor de Bevolkingsregisters een houten etui om het persoonsbewijs in op te bergen. Voor 25 cent was dit etui verkrijgbaar op de gemeentesecretarie.
 
Het etui was niet echt handig, het persoonsbewijs moest worden dubbelgevouwen omdat het er anders niet in paste.
 
Omhulsel voor het persoonsbewijs
 
Dit was niet meer dan een gevouwen kartonnetje waartussen het persoonbewijs bewaard kon worden, uit 1944.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Legitimatiebewijs
 
Naast een persoonsbewijs had men soms nog andere persoonlijke documenten nodig. De persoon hiernaast afgebeeld, had naast zijn persoonsbewijs nog een legitimatiebewijs nodig voor het distributiekantoor waar hij werkte.
 
 
Kinderlegitimatiebewijs
 
Voor kinderen onder de vijftien jaar kon een kinderlegitimatiebewijs (niet verplicht) van het Rode Kruis worden aangevraagd bij de afdeling bevolking van de gemeentesecretarie en hoofden van scholen á FL 0.10. Voor hen die dit bedrag niet konden betalen, bestond gelegenheid tot kosteloze verstrekking. Dit kaartje werd ingevoerd in 1943. 'Ellendige toestanden ontstaan wanneer bij rampen noch politie, noch de dokters, noch behulpzame omstanders Uw kinderen kunnen thuisbrengen.
 
 
 
 
Een soortgelijk identiteitsplaatje werd gefabriceerd door "Stella", Maastricht.