NSB

Nationaal Socialist

Propaganda

WA - SS

Jeugdstorm

WHN - NVD

Arbeidsdienst

Dwangarbeid

Dagelijks leven

Distributie

Joden

Luchtbeschermingsdienst

Persoonsbewijs

Nederland paraat

Oranje/verzet

Nationalisme/fascisme

Distributie
 
Wat men gewoonlijk de distributie noemde was de verdeling van levensmiddelen, door middel van bonkaarten, onder het publiek. Een groot netwerk bestaande uit een Centraal Distributiekantoor (CDK) in Den Haag, een aantal rijksbureaus en meer dan 500 distributiekringen moesten het distributieapparaat draaiende houden. Elke Nederlandse gemeente kreeg een distributiedienst. De verschillende diensten werden vanuit het Centraal Distributie Kantoor te Den Haag gecoördineerd. De gemeentelijke distributiekantoren werden in de gemeentehuizen gevestigd. De gemeentelijke overheden waren de direct verantwoordelijken voor het goed verlopen van de distributie.
 
Er kwamen centrale kantoren in Groningen, Zwolle en Den Haag. De centrale kantoren in Zwolle en Groningen kwamen pas na Dolle Dinsdag zodat als het land bij gedeelten zou worden bevrijd, het apparaat toch nog kon blijven functioneren. Na de bevrijding bleef het distributiestelsel nog een paar jaar bestaan. In 1950 gingen de laatste producten op de bon. De meeste artikelen hadden het tienjarig jubileum van de distributie net niet gehaald.
 
     
In Uw belang! Een overzicht van de distributie en wat daarmede samengaat.
Distributie en de Huisvrouw, uitgave van de Economische Voorlichtingsdienst.
 
De distributie was er niet alleen om een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van de schaarse levensmiddelen en goederen te verkrijgen, maar bovendien als Duits wapen, om iemand te dwingen op zijn officiële adres, in zijn normale milieu, onder eigen naam te leven. Indien niet, dan werd men van dit distributiesysteem uitgesloten. Dit betekende geen bonkaarten, dus geen levensmiddelen, geen textiel en alles wat men nog meer nodig had.
 
Men moest naar het distributiekantoor om op vertoon van de distributiestamkaarten van de leden van het huishouden de bonkaarten op te halen. Vervolgens moest men de krant bijhouden om te zien welke nummers werden toegewezen. Daarna bekijken hoe je ze besteden zou en tot slot in de winkel maar afwachten of het allemaal klopte. Als iemand boodschappen ging doen, werden eerst thuis de benodigde bonnetjes ('punten') geknipt terwijl de rest werd opgeborgen, het liefst in een stalen trommeltje waar de kinderen niet bij konden. Bij een product als melk leverde je vooraf voor een bepaalde termijn de bonnen in  bij de melkboer die daarop dagelijks leverde. Als hij om welke reden dan ook onvoldoende melk had, was je toch je bonnen kwijt.
Rijksdistributiekaart
Direkt na de mobilisatie werd gestart met het uitgeven van rijksdistributiekaarten. Deze kaart met 26 bonnen was een tijdelijke voorziening die nauwelijks gebruikt werd. De rijksdistributiekaart gold slechts voor korte tijd en werd in oktober vervangen door de distributiestamkaart. Bij aankoop van goederen die onder de distributiemaatregelen vielen, kreeg men een stempeltje op de kaart en moest een bonnetje worden ingeleverd. Met deze bonnen kon de winkelier zijn voorraad aanvullen.
 
De distributiestamkaart.
Op de stamkaart kon iedere maand een distributiekaart worden opgehaald bij het distributiekantoor. Deze kwam in het najaar van 1939 in gebruik, maar raakte al spoedig vol. Daarin werd voorzien door het gebruik van inlegvellen. Toen het aantal vervalsingen te groot werd besloot men een nieuwe (tweede) distributiestamkaart in te voeren.
 
       
 
Distributiestamkaart; Tweede Distributie Stamkaart en inlegvel.
 
 
Tweede Distributie Stamkaart.
In het begin van 1944 kwam door vervalsingen en diefstallen uit distributiekantoren zoveel valse persoonsbewijzen, distributiekaarten en andere papieren in omloop dat de registratie van de Duitsers vrijwel waardeloos was geworden. Dat beseften ook de Duitsers, reden dat er een nieuwe distributiestamkaart werd ingevoerd. Paniek bij het verzet. De nieuwe stamkaart zou alleen geldig zijn in het eigen district, dus de woonplaats die officieel op het persoonsbewijs stond aangegeven. De stamkaart moest door ieder persoonlijk in de plaats van zijn woning worden afgehaald. Op het persoonsbewijs werd dan een zegel geplakt, waarvan het nummer correspondeerde met dat op het nieuwe stamkaart, elke gemeente had een eigen nummer. Bij de uitreiking hielden de Duitsers en NSB'ers toezicht. Lange registers van gezochte personen waren er aanwezig. Wie toch ging liep in de val. De paniek van het verzet duurde niet lang. Al op 25 januari 1944 werd de kluis van het gemeentehuis in Tilburg gekraakt. De buit was 6000 zegeltjes met het woord Tilburg en 99.000 blanco. Deze laatsten konden, na afstempeling, dienen voor iedere willekeurige gemeente. Op 17 mei 1944 leverde de overval bij drukkerij Hoitsema in Groningen nog eens 133.450 zegeltjes op. Toen de uitreiking van de Tweede Distributie Stamkaart in juni 1944 was afgerond waren er al voldoende zegeltjes gestolen. De door Rauter verordonneerde wisseling van de stamkaarten was een volslagen mislukking geworden.
 
 
       
 
Boven:
Oproep om het Tweede Distributie Stamkaart op te halen; Nood Tweede Distributie Stamkaart en een velletje controlezegels.
 
Het afgeknipte hoekje van de stamkaart.
De nieuwe distributiestamkaart werd uitgereikt als men een oproepingskaart hiervoor inleverde; daarbij werd er van de over te leggen oude distributiestamkaart een hoekje afgeknipt en bovendien kwam op het persoonsbewijs dus een controlezegel. Het land werd in 503 distributiekringen verdeeld, die elk hun eigen nummer kregen. Dit nummer kwam voor op de stamkaart, inlegvel en controlezegel; de inlegvelbonnen zouden niet langer over het hele land geldig zijn. De hoekjes van de oude distributiestamkaarten, waarmee de ambtenaren het aantal uitgereikte stamkaarten moesten verantwoorden, drukte de PBC (Persoons Bewijs Centrale van het verzet) op grote schaal na. Dolle Dinsdag maakte het hele systeem overbodig; bij de uitreiking van de noodkaarten, toen in gebruik genomen, speelde het inlegvel geen rol meer.
 
Controlezegel
De uitgifte van de Tweede Distributie Stamkaart was met diverse controlemaatregelen omgeven. Deze nieuwe stamkaarten met inlegvellen werden ingevoerd om onderduikers boven water te krijgen en om alsnog de gewenste registratie van de Nederlandse mannelijke bevolking te bewerkstelligen. Ditmaal liep de aanval via de distributiebureaus. Begin 1944 werd in verschillende gemeenten een begin gemaakt met de uitreiking van de nieuwe stamkaarten en inlegvellen, waarbij dan tevens een controlezegel op het persoonsbewijs werd geplakt. De zaak draaide om de volgende punten: a. Alle mannelijke personen werden persoonlijk en per aangetekende brief opgeroepen om hun oude stamkaart in te leveren, voorzien van behoorlijk identiteitsbewijs. b. Op het persoonsbewijs komt een controlezegel, waarvan de andere helft op de stamkaart zit. c. Door de binding van de inlegvellen aan bepaalde gemeenten zou het vrijwel ondoenlijk worden in een andere gemeente dan waarin men ingeschreven staat een nieuwe bonkaart te bemachtigen.
 
Distributiebonnen.
Door van de boeren te kopen of door zelfvoorziening hielden diverse huishoudens op het platteland bonnen over die zij konden verkopen. Deze winstmogelijkheden stimuleerde de zwarte handel, omdat de bonnen in andere gebieden opdoken dan waar met de bevoorrading rekening was gehouden. Door invoering van aparte bonnen voor de stad en het platteland voor producten als melk en aardappelen werd getracht dit ongemak enigszins te beperken. Stadsbonnen hadden een rode opdruk, de overige een zwarte.
 
             
 
 
Distributiebonnen, textielkaarten en de Distributie-Courant
 
Distributie-Courant
Dit was een weekblad ter voorlichting van detaillisten en andere belanghebbenden.
 
 
 
Distributiemap
Om de verschillende bonnen overzichtelijk op te kunnen bergen, gaven de winkeliers distributiemappen uit. Een beurs voor de bonnen. De geldige bonnen werden uitgeknipt, in het mapje gestopt en meegenomen naar de winkelier.
 
       
 
 
Afbeelding boven:
Links een grote distributiemap met bladen waartussen de bonnen gestopt konden worden. Daarnaast een kleine mappen met een apart vakje voor de zilverbonnen.
 
  Een zilverbon oftewel bankbiljet uit die tijd.
 
 
    
 
 
Distributie gijn en pijn
Volgens Max Blokzijl, de propagandist van de NSB was dit een zeer nuttig boekje omdat daaruit blijkt dat ook toen, net als nu, o.a. de Engelsen schuld zijn aan de distributiemaatregelen. "Deze oorlog is tenslotte door de Engelsen en door de gevluchte regeerders in Parijs verklaart. Niet door Berlijn!" (Brandende Kwesties).
 
Hamsteren en hamsteren (1939)
In deze brochure wordt gepleit voor 'particuliere voorraadvorming'.
 
"Iedereen die levensmiddelen inslaat, helpt daardoor de algemene nationale reserves te versterken, hij benadeelt daardoor niemand, integendeel, hij zorgt er alleen voor dat het uithoudingsvermogen van zijn land daardoor versterkt wordt".
 
Men was van mening dat met een ruimere voedselreserve de neutraliteit van Nederland zou worden versterkt.
 
Uitgegeven door de Vereniging voor Nationale Veiligheid. Deze vereniging heeft sinds haar oprichting in 1934 geijverd voor een versterking van het leger en een verhoging van de weerkracht van het Nederlandse volk. De ondermijnende en defaitistische mentaliteit heeft zij bestreden.
 
 
 
 
 
 
      
 
V.l.n.r.
Toeslagbewijs voor extra rantsoenen wegens bijzondere arbeid, in dit geval voor een koperslager. Toeslagbonnen voor langdurige arbeid. Een verzoek om een extra toewijzing van voedsel werd afgewezen.
 
Koolzaad
Koolzaad was tijdens de bezetting belangrijk omdat bij de achteruitgang van onze boterproduktie en het verdwijnen van de voorradige, uit het buitenland afkomstige voedingsvetten, de uit koolzaad gewonnen raapolie het enige inheemse vervangingsmiddel was. Een verhoging van de productie van vet in de vorm van spek was onmogelijk, omdat voor het dan vereiste varkensvoer niet voldoende aardappelen konden worden verbouwd. Raapolie was dus onmisbaar en de bereiding moest met alle middelen worden gestimuleerd. Vanaf september-oktober 1943 tot het einde van de oorlog zijn het vet en de olie, die wij in distributie konden brengen, voor een goed deel afkomstig geweest van inlandse raapzaad. In die tijd werd de margarine praktisch geheel uit raapolie bereid. De distributie werd in dit verband zo ingericht, dat in de winter vooral margarine en in de zomer boter beschikbaar beschikbaar werd gesteld.
 
Een inmaakpot vol met rundervet uit 1943                            
 
Gaarkeukens
De warme maaltijden die in de gaarkeukens verstrekt werden - in februari 1945 waren dat ongeveer 4400 porties per dag in Groningen - waren vooral in trek omdat men op deze wijze brandstof uitspaarde.
 
Noodkeukens
De vereniging van Nederlandse Gemeenten richt op 25 september 1940 een schrijven aan alle gemeenten in het land, waarin wordt gewezen op de mogelijkheid tot het inrichten van noodkeukens. In verband met de grote moeilijkheden die men gedurende de winter van 1940/1941 verwacht op het gebied van de voedselvoorziening zullen door deze keukens maaltijden worden verstrekt aan mensen die zelf niet in staat zijn voor voldoende eten te zorgen. Bedoeling is, dat men éénmaal per dag, van 11.30 tot 13.30 uur eten kan ontvangen van goede kwaliteit. Uit billijkheidsoverwegingen zal men slechts voedsel kunnen krijgen indien men een distributiebon inlevert.
 
 
 
 
Kruidenier
Het bleek uiterst moeilijk om nieuwe voorraden te krijgen. Al spoedig ging de omzet in voorgaande periodes als richtsnoer bij de toewijzing van goederen dienen. De voornaamste zorg van de detaillisten was om hun voorraden geregeld aan te vullen; zodat er toch nog iets te verhandelen viel. Daarbij zocht men allereerst in artikelen die buiten de distributie vielen of daarbuiten gehouden werden. De winkels waar voedingsmiddelen verkocht werden hadden weinig speelruimte, omdat de verkoop van vrijwel al hun artikelen door het distributiekantoor aan banden gelegd was. Niemand heeft zoveel bonnen op vellen geplakt als de kruidenier, maar daar stond tegenover, dat hij geen levensmiddelen tekort kwam en bovendien gewilde ruilobjecten in huis had.
 
               
 
Plakvast plakpoeder.                   
 
Opplakvellen moesten bij de distributiedienst ingeleverd worden. In het midden is zo'n opplakvel afgebeeld.
 
Voor winkeliers/kruideniers die beroepshalve veel distributiebonnen moesten plakken kwam er speciaal plakpoeder op de markt: "Plakvast".
 
"Voor het plakken van distributiebonnen, etiketten, behang en ander licht plakwerk".
 
Gestrooid in een jampotje met koud water, had men dan voor enkele dagen plaksel en kon de tong worden ontzien.
 
 
In de laatste oorlogsjaren werd het steeds moeilijker om aan levensmiddelen te komen. De mensen gingen stad en land af op zoek naar winkeliers waar nog het een en ander viel te halen op de rantsoenbonnen. De kleine kruidenier/winkelier wilde op zijn beurt zijn vast klanten niet teleur stellen en verkocht daarom het weinige wat er was aan zijn vaste klantenkring. Het was natuurlijk ook een vorm van klantenbinding. Bij sommige kruideniers trof men een geëmailleerd bord aan met de tekst: "Verkoop uitsluitend aan vaste klanten".
 
 
 
Met de bevrijding was de grootste ellende achter de rug, maar een aantal goederen bleef nog een tijd schaars. Op 31 december 1949 werd de laatste distributiestamkaart uitgereikt. Vanaf 20 juni 1945 kreeg iedere Nederlander weer een uniforme bonkaart, met gevolgd dat overal in het land dezelfde hoeveelheden via de distributie verstrekt werden. In 1952 ging koffie als laatste product van de bon. Daarmee was een episode afgesloten.
 
 
Penning tampondiner 1942
Een bronzen penning gemaakt door een kunstenaar van de 'school voor de grafische kunsten' te Utrecht, 1942. Het menu was blijkbaar nog een vraagteken en/of welke distributiebonnen moesten worden ingeleverd.
 
            
 
Omdat het door de schaarste niet langer mogelijk was maaltijden op de oude vertrouwde manier samen te stellen, verschenen er kookboekjes met aangepaste recepten.
 
    
 
Gamel R.B.V.V.O. met R.B.V.V.O. bord en borden Kindervoeding Amsterdam
 
 
R.B.V.V.O.
Op 30 september 1939 werd het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd opgezet (R.B.V.V.O.). Deze instelling hield zich bezig met het maken van plannen om de voedsevoorziening in geval van oorlog veilig te stellen. Hoofd van de nieuwe rijksbureau werd ir. S.L. Louwes die werd benoemd als Directeur-Generaal van de voedselvoorziening. Het Rijksbureau speelde een cruciale rol bij de voedselvoorziening van het westen van Nederland tijdens de Hongerwinter. Personeel van het Rijksbureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd zamelde b.v. de gedropte hulpgoederen in en verzorgde de distributie onder de bevolking. Vanaf het begin werkte het Rijksbureau ook nauw samen met het Centraal Distributie Kantoor (CDK). Het R.B.V.V.O. werd op 11 oktober 1945 opgeheven. De afgebeelde gamel van het R.B.V.V.O. is dubbelwandig om zo het eten warm te houden.
 
Kindervoeding
Vanaf oktober 1944 kregen kinderen bijvoeding van verschillende instanties zoals van de kerken, het Rode Kruis en de Centrale Commissie Kindervoeding. Meestal werkten de instanties samen met scholen om er voor te zorgen dat kinderen tenminste één keer per dag een warme maaltijd kregen.
 
Op de aluminium borden afgebeeld, staat in de rand van het bord "kindervoeding" met aan weerszijden het wapen van Amsterdam. Met bijbehorende lepel. Aan achter op de lepel staat: "K-KV", d.w.z. "Keuken Kinder Voeding". Aan beide zijden van deze inscriptie staan drie kruisjes, het wapen van Amsterdam.
 
De Economische Voorlichtingsdienst (EVD) van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart coördineerde de campagne waarin vooral de huisvrouw werd aangespoord tot zuinigheid. Wees (ook) spaarzaam (met energie) propageert de Economische Voorlichtingsdienst. De boodschap kon ook in de vorm van opgewekte middenstandspoëzie worden doorgegeven. De vaderlandse kuisheid werd voorts verbeeld in imitatietegeltjes met daarop een tafereel en spreuk.
 
 
 
Kaarttegels van karton met daarop spreuken in oud Hollandse stijl die betrekking hebben op de toestand in die tijd.
 
 
Kartonnen tegels uitgegeven door de Economische Voorlichtingsdienst.
 
 
         
Economisch Nieuws, dagelijkse mededelingen van de Economische Voorlichtingsdienst.
Nuttige wenken.
 
 
Hongerwinter
 
In de laatste maanden van de oorlog werd er in het westen honger geleden. Door de strenge winter, het verloop van de oorlog en de Duitsers, stagneerde de aanvoer. Ten einde raad ondernamen veel mensen z.g. hongertochten. Op zoek naar voedsel trok men er op uit, de boer op. Het werden vaak tochten van dagen en dat onder barre omstandigheden.
 
Onder, links: Een handgeschreven briefje met daarop een routebeschrijving van Den Haag naar Sinderen, eind februari 1945. Volgens het briefje eerst met de goederentrein naar Deventer, vandaar per fiets naar Sinderen.
 
Daarnaast van dezelfde persoon een verklaring dat de mejuffrouw in kwestie, gerechtigd is in de periode van 2 t/m 5 maart 1945, per rijwiel, levensmiddelen te vervoeren. Dit document is in het Nederlands en Duits opgesteld.
 
               Schildje "hongertochten"
 
      
 
De directeur van een postkantoor in het westen van het land, stuurde een briefje, 'een noodkreet' zoals hij het verwoorde, naar een collega directeur in het noorden van het land.
 
"nu leef ik van gekookte bieten of gekookte suikerbieten met water".
 
Middels deze brief vraagt de directeur om wat spek, boter, kaas of vet. 23 januari 1945.
 
Boven rechts, een typisch Duits document; "Fahrbefehl".
Vergunning voor het halen en brengen van melk in de provincies Groningen en Friesland per vrachtauto. "Wehrmachtdienststellen" en civiele autoriteiten worden verzocht de genoemden in uitvoering van hun opdracht alle mogelijke medewerking te verlenen.
Week 20 tot 27 februari 1945.
 
  
 
 
   
 
In 1945 kwam er vanuit Zweden meel en margarine naar Nederland.
 
Hulp uit Zweden.
Op 28 januari 1945 liepen de Zweedse schepen "Noreg" en "Dagmar Brat" te Delfzijl binnen met 3700 ton lading levensmiddelen, bestemd voor het westen, voornamelijk meel, erwten, margarine, melk en levertraan.
 
         
 
Brievenstander dat de Zweedse hulp uitbeeld.
Staande op de kade krijgt een Nederlands meisje een pakje margarine, terwijl ze brood in haar handen heeft.
 
 
Voedseldroppings.
Dr. E.A. Schwebel, Beauftragte in Sudholland, vertegenwoordigde Seyss Inquart bij de onderhandelingen over voedseltransporten op 28 april 1945 te Achterveld (St. Jozefschool). Samen met een hoge marineofficier onderhandelden zij met de geaillieerden en werden er voorbereidingen getroffen voor de bespreking op het allerhoogste niveau, n.l. tussen Seyss Inquart en generaal Bedell Smith.
 
Na moeizame onderhandelingen tussen Duitse autoriteiten, vertegenwoordigers van het verzet en geallieerden kregen deze laatsten toestemming om in de omgeving van de grote steden in het westen van het land voedselpakketten uit te werpen: 'Operatie Manna'.
 
Het droppen van voedsel is pas begonnen op 29 april 1945. De pakketten werden op vier vliegvelden gedropt, o.a. vliegveld Ypenburg.
 
           links, tarwemeelzak, afm. 84 x 41 cm. Daarnaast Welfare biscuits blik.
 
De bekende Welfare biscuits blikken werden niet gedropt, maar zijn per vrachtauto naar afgesproken verzamelplekken gebracht. Besloten werd de bisquits af te leveren bij 25 grote bakkerijbedrijven, die op hun beurt voor de distributie over circa 200 winkels zouden zorgen. Dit besluit viel op 12  mei 1945 om vier uur en binnen het uur werd de eerste 20 ton afgeleverd (district Den Haag). De gehele nacht ging men door  met de bevoorrading en toen op zondagmiddag 13 mei om drie uur gemeld kon worden, dat er in alle zaken voldoende voorraad was, werd een bon bekend gemaakt en gingen verscheidene winkels open. Zo kon nog dezelfde dag een deel van de bevolking de bisquits in ontvangst nemen. (Bron: De Slag om B2).
 
 
              
 
Van links naar rechts:
1. Delfts bordje, doorsnede 15 cm.
2.Bordje Goedewaagen. "Ter herinnering aan de verwerking in de HAKA bedrijven van de 'airdroppings' bestemd voor het hongergebied in westelijk Nederland".
3. Metalen bord, doorsnede 25 cm.
 
 
    Wandbord CNV - Commissariaat Noodvoorziening. doorsnede plm. 34 cm
 
B2
Onmiddelijke na de bevrijding zou de hulpverlening op gang moeten komen aan Noord- en Zuid Holland en Utrecht, vastgelegd in plan B2. De uitvoering van genoemd plan was in handen gelegd van SHAEF, de inmiddels tot gemeengoed geworden aanduiding van Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces.
 
De noodvoorziening van het B2 gebied betrof de voedselvoorziening, bevoorrading met textielgoederen, brandstoffen, op- en afslag.
 
 
   
 
 
Foto's: "Fooddropping Rijswijkscheweg Den Haag, april 1945".
           "Uitwerpen der voedselpakken bij R'dam.
           "Verzamelen der uitgeworpen levensmiddelen.
 
 
 
 
 
Herinneringsasbak. Op iedere kant staat een afbeelding met tekst, t.w.
1. '1940 begin', afbeelding van een kanon.
2. '1941 leed', afbeelding van een vliegtuig boven een zinkend schip.
3. '1942 angst', afbeelding van een vliegtuig dat bommen afwerpt.
4. '1943 wanhoop', afbeelding van een gebombardeerde stad.
5. '1944 hoop', afbeelding van parachutisten boven een stad.
6. '1945 vrede', afbeelding van zonnestralen en levensmiddelen.
 
Aan de onderkant van de asbak staat gestanst:
Herinneringsasbak
Vervaardigd uit materiaal waarin
Voedsel uitgeworpen is.
 
 
 
                                 Bordje Christina stichting.
 
"De Christina-Stichting dankt U voor Uw gastvrijheid in den Hongerwinter van 1945"; "Wat gij een van deze minsten gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan". (Mat. 25, 40). De Christina Stichting was een opvoedingsgesticht voor meisjes in Den Haag.
 
 
 
 
 
Crisis Controle Dienst
 
CCCD
De Central Crisis Controle Dienst (later CCD) was er ter bescherming van het publiek, zo stelde het directoraat van de voedselvoorziening. Hamsteren, prijsopdrijving, sluikhanden en fraululeuze slachtingen werden door de in 1934 opgerichte CCCD bestreden.
 
Het publiek begreep vaak weinig van de taak van de overheidsdiensten, speciaal van de controle en gaf er in zijn contacten met de ambtenaren dikwijls blijk van, het voedselvoorzieningsapparaat als een soort verlengstuk van de gehate Duitse maatregelen te beschouwen. Alleen doordat het algemeen bekend was dat het aantal NSB'ers bij de voedselvoorzieningsdienst zeer gering was (bij het eind van de oorlog geringer nog dan in het begin) gaf het publiek aan de ambtenaren over het algemeen nog wel het vertrouwen in politieke zin. Het werken voor de CCCD was bijzonder moeilijk. Dit apparaat stond door zijn aard aan verdachtmakingen bloot. Men zei dat het de bezetter in zijn werk hielp. Er waren natuurlijk enkele NSB'ers die dit ook wel hebben gedaan. De grote massa, hoe kon het anders, had weinig begrip voor de handelingen die zij zag verrichtingen en had het gevoel te moeten optreden tegen al wat ambtenaar was. Ongetwijfeld is in de loop van de tijd de zwarte handel, het achterhouden van de oogst toegenomen. Dat er echter geen chaos is ontstaan is mede te danken aan de wijze, waarop de controlerende ambtenaren hun moeilijke taak hebben verricht.
 
      
 
Wapenvergunning.
Deze controleur van de CCD voelde zich blijkbaar veiliger met een wapenstok op zak. Daarvoor was dan wel een heuse wapenvergunning voor nodig.
 
Halt.
Eén van de eerste maatregelen die de bezetters namen, was het bevel op alle verkeersborden het woord 'stop' te veranderen in 'halt', omdat 'stop' te Engels klonk.
 
Het afgebeelde bordje met daarop: "Halt CCD" kon gemakkelijk worden meegenomen. De steel kan naar binnen worden geschoven en het bordje zelf kon men dubbelvouwen.
 
 
De Centrale Controledienst spoorde overtredingen op en de strafprocessen werden afgehandeld door de tuchtrechters voor de voedselvoorziening. In een aantal gevallen had de politiek een duidelijke invloed op de hoogte van de rantsoenen. Bijzonder goed waren die voor het politiepersoneel. Deze waren onder druk van Rauter sterk verhoogd. In mei 1943 bleven ze boven de officiële Duitse norm liggen en zelfs boven die voor de Wehrmacht. Toen dit feit eenmaal duidelijk werd, moest er enige bijstelling naar beneden plaats vinden, maar de rantsoenen bleven riant. Deze rantsoenen golden ook voor de CCD ambtenaren. In het voorjaar van 1943 werden ze eveneens van toepassing verklaard op de W.A. Ook de keurmeesters van de Keuringsdienst van Waren werden in deze uitbreiding betrokken. De CCD moest de zwarthandel aanpakken. De Nederlandse CCD ambtenaren deden voor de oorlog ook al dienst. De CCCD en de economische rechters vonden bij herhaling weinig waardering in de illegale pers. Vooral de kwestie Ommen (in het kamp daar heerste een bar regime en enkele zwarthandelaars waren er ingekomen) speelde hierbij een belangrijke rol. Vrij Nederland van 11 december 1942 waarschuwde de controleurs van de CCD: "Bedenk dat gij elke pond boter, elke pond vleesch, elke appel, alle koren en alle groenten en al het andere dat gij in beslag neemt, rooft van het Nederlandsche volk, van Uw eigen volk! Bedenk dat elke man, die door Uw toedoen naar het martelkamp te Ommen gezonden wordt, U eenmaal ter verantwoording zal roepen".
 
Vanaf oktober 1943 werden de uitlatingen over de CCD genuanceerder. Dit gebeurde nadat de houding van de illegaliteit tegenover de zwarte handel was veranderd. De CCD heeft vrijwel alleen grote partijen opgespoord en was dus voor de kleine man geen echte bedreiging. Het begrip zwarte handel kreeg een negatieve klank omdat er te hoge prijzen berekend werden. Het parool van de illegaliteit was: zoveel mogelijk aan de distributie onttrekken, zoveel mogelijk opnieuw onder ons volk brengen. Tegen eerlijke prijzen.
 
 
Smokkeltanks
 
Smokkeltanks/buikflessen werden gebruikt voor het smokkelen van vloeibare stoffen tijdens de hongerwinter. Onder een winterjas of kleding werden dergelijke tanks op de buik gedragen en vielen door hun vorm nauwelijks op.
 
 
 
 
Oktober 1941 was een maand van sabotagebepalingen. Op 1 oktober kwam er een waarschuwing aan de bevolking door de Wehrmachtsbefehlhaber. Kort daarna zette Christiansen zijn waarschuwing om in een verordening en op 28 oktober menen de secretarissen-generaal Frederiks, Hirschfeld en Schrieke een proclematie te moeten uitgaan, waarin alle vormen van sabotage werden veroordeeld. "Help mee, opdat ons volk niet benadeeld wordt door de daden van onbezonnen en misdadige elementen", aldus Schrieke, Hirschfeld en Frederiks, van wie alleen de eerste NSB'er was.
 
 
   
 
Belooning
De directeur-generaal van politie, mr. A. Brants, looft een beloning uit van duizend gulden voor iedere Nederlander 'die omtrent ernstige vergrijpen tegen de belangen van de voedselvoorziening of de Duitse Weermacht zodanig aanwijzingen geeft, dat deze tot arrestatie van de schuldige(n) leiden.
 
 
 
Armband voedselvoorziening
 
 
Zwarte handel.
Naast de officiële handel, kopen op de bon dus, floreert de 'Zwarte Handel'. In dit circuit is nog van alles te koop. Zonder bon, tegen woekerprijzen. Het is een van de weinige verschijnselen van de bezetting, die door de meeste Nederlanders even grondig verafschuwt worden als door de bezetter - al doen velen er uiteindelijk uit pure noodzaak aan mee.
 
 
   De clandestiene handelaar wordt afgebeeld als een zwarte duivel.
 
 
Omdat het beminde volk allang afstand heeft gedaan van elk gevoel wat men heroïsme pleegt te noemen, niets meer begreep van de grote gedachte 'vaderland', niets meer over had voor gemeenschapsplichten, bemiddeld genoeg was als onbewuste gemeenschap om zich de weelde van belastingontduiking te kunnen veroorloven, elk begrip van medeverantwoordelijkheid voor het staats- en volksgeheel verloren had - en daarvan heden, nu de gemeenschap plotseling grote offers verlangt die niet gebracht kunnen worden, een uiterst beschamend bewijs levert. Dat bewijs heet; zwarte handel. Het laatste bedrijf van de tragedie der degeneratie van de Nederlanders. (Max Blokzijl spreekt tot de jeugd, blz. 37).
 
"Er zijn mensen die menen, dat ze de kunst om te leven verstaan, zolang ze in een clubfauteuil zitten met een heerlijke sigaar of zacht suizen van asfaltstraten met hun haast geruisloze wagen, of s'avonds naar de bios gaan en genoeg sigaretten hebben, maar zo gauw van dezelfde mensen al die mooie dingen plotseling worden afgenomen, dan blijft er letterlijk niets van hen over, die mensen waren niet wat ze zelf zijn, maar die waren, wat hun huis, hun auto, hun bioscoop, hun sigaretten zijn. Daar staan of vallen ze mee. Ze zijn eigenlijk wat ze hebben. Hebben ze veel, dan zijn ze veel, hebben ze weinig, dan zijn ze weinig, hebben ze niets dan zijn ze ook helemaal niets. Zulke mensen heersen niet over het leven, welnee, ze zijn er slachtoffer en producte van. Van hen geldt nu: "Kleren maken de man", en "de mens is het produkt van de omstandigheden". Die mensen zijn geestelijk en zedelijk zó arm, dat ze de kunst om te leven niet verstaan". (Hel en hemel van Dachau, door J. Overduin. Hij ergerde zich vooral aan het egoïsme van de zwarte handelaren in het kamp).
 
 
Zwarte handel = gifhandel
 
De zwarte handel heette na de bevrijding 'gifhandel'. De gifhandel was een hardnekkig probleem, ook na de bevrijding ging het gewoon onverminderd door. In Amsterdam werd daarom een speciale politie-eenheid in het leven geroepen die belast werd met het opsporen en aanhouden van zwarte handelaren.
 
                
 
Terwijl zijn collega een vermeende zwarthandelaar fouilleert, houdt de politieman op de achtergrond de zaak in de gaten. Hij draagt een speciale armband waaraan deze agenten waren te herkennen.
 
 
Na de bevrijding kregen leden van de (hulp) politie een oorkonde uitgereikt:
 
Als blijk van waardering voor de goede diensten, die hij na de bevrijding van Amsterdam aan de burgerij van de stad heeft bewezen door de politie hulp en bijstand te verlenen bij de handhaving van de openbare orde.
 
 
 
Schoenen
 
Nadat bekend was geworden dat per 1 juni 1940 voor de aanschaf van schoenen een bon was vereist, ontstond er in de tweede helft van mei een ware stormloop op schoenwinkels. Winkeliers zagen hun omzet die maand met 80% stijgen.
 
 
       
 
 
 
Tegen het eind van de oorlog waren er geen schoenen meer te krijgen. Noodgedwongen ging men over op het repareren van versleten schoenen. Maar leer voor de schoenen was er ook niet en zo kwamen er houten zolen op de markt. Om er een beetje flexibiliteit aan te geven, werden de houten zolen aan beide kanten een stukje ingezaagd.
 
Rechts; kindersandalen bestaande uit houten zolen en bandjes van linnen/leer.
 
 
 
Textielkaart
 
Vanaf eind mei 1943 kwam er een nieuwe textielkaart. Er zaten tachtig punten op. De punten van de oude textielkaart (indien men deze nog had) bij het in ontvangst nemen van de nieuwe, inwisselen.
 
        
 
Links, textielkaart voor vrouwen en meisjes van 15 jaar en ouder.
Rechts, textielkaart voor mannen en jongens van 15 jaar en ouder.